Betekenis van Kaak
Kaakebeen = kaak = kege = stengel van kool of bieten
Kagebein = keegebein = kege = speer of staf
Ein kegebein = "een houte-poot" = iemand met een houten been
Kaak heeft een platduitse oorsprong: Het Platduits is een taal die wordt gesproken door ongeveer 12 tot 15 miljoen mensen in alle werelddelen behalve Antarctica. Het oorspronkelijke verspreidingsgebied ligt tussen het IJsselmeer en Noordwest-Polen. Het Platduits wordt gesproken in delen van Nederland, Noord-Duitsland, Zuid-Denemarken en West-Polen.
Haringkaken: De geschiedenis van de Nederlandse haringvisserij - en dus ook de consumptie - gaat terug tot ongeveer het jaar 1000. De haring werd toen licht gezouten en zo vers mogelijk aangevoerd. Meer dan vermoedelijk zal de haring wel gebakken zijn gegeten. Driehonderd jaar later, na het uitvinden van het haringkaken, was er voor het eerst sprake van 'zoute haring'.
Dat haringkaken is uitgevonden door Willem Beukelsz afkomstig uit Biervliet of de Vlaming Jacob Kien, want ook onze zuiderburen hielden zich bezig met de haringvisserij. Het kaken zelf bestaat uit het met een klein mes in één beweging verwijderen van de kaken en kieuwen uit de kop en de galblaas en een deel van de ingewanden uit de buik. Zo kan het zout makkelijk in het visvlees binnendringen. De sappen uit het achtergebleven deel van de darmen en de alvleesklier werken, samen met het zout, in op het vlees en dit proces zorgt er voor dat een zoute haring mals wordt. De uitvinding van het kaken zorgde er voor dat de haring langer bewaard kan worden en daarmee de schepen langer op zee kunnen blijven.
Kauk: Possibly an altered spelling North German Kauke, from Middle Low German koke ‘cake’ (dialect Kauke), hence a metonymic occupational name for a baker or confectioner or a nickname for a cake lover.
Perhaps an altered spelling of Dutch Kaak or North German Kaack (see Kaake).
Kaake: Dutch; perhaps an altered form of Dutch Kaak, from Middle Dutch cake ‘jaw’ or ‘cheek’, hence a descriptive nickname alluding to some facial peculiarity.
Kaag: Dutch: from Dutch kaag (earlier kaack), the same word as English keg. A bierkaacker was someone who used a beer hoist to carry and deliver kegs of beer. There was a Marten Hendricksz de Bierkaacker at Beverwijck (Albany [sic!]) in the 17th century.
Kaack(er): North German; occupational name for a cook, from Kaack(er), Low German equivalent of German Koch.
In het oudste duitse woordenbooek van de gebroeders Grimm staat:
Kaak --> Kak
KAK, m., auch kake f. pranger, ein nd. und theilweis md., auch rhein.
wort; in vocc. d. 15. jh. mediastinus kaeck, kac, cac, kag, gac, auch
kacken, gagken (m.?) DIEFENB. 353a, theilweis aus md., rhein. vocc.;
schwed. kåk, dän. kag, nnl. kaak f., früher kake (kaecke KIL.).
Zweeds: kåk
Deens: kag
Nederlands: kaak
KAK, m.
1) schandsäule, mitsamt dem unterbau: dar wart hartog Sabele soen geschlagen bi dem kake. Uhland volksl. 402 ...
2) auch der schandkorb, die schupfe, wippe (s. RA. 726, korb 4, b) hiesz nachher ...
3) bemerkenswerte nebenformen. wie kæks auf der Eifel, so cöln. kachs catasta, gemma 1507
4) kak erklärt Haltaus aus md. kaken gaffen (s. gaken); doch ...
Deutsches Wörterbuch von Jacob Grimm und Wilhelm Grimm. 16 Bde. [in 32 Teilbänden]. Leipzig: S. Hirzel 1854-1960. -- Quellenverzeichnis 1971.
KAC: stm. pranger. brem. wb. 1,716. kak vel pranger (prengel) puteal voc. vrat. ouch so sullen keine vedeler nach allirley begernde kompanie unbebot nicht komen zu der burger tische. tun si is dor bobene, so sal man si setzen in die tymenitze adir an den kak gespannen Marienburger willkühr v. 1365. vgl. Voigt gesch. Marienb. 528. Wackernagel lit. 118. anm. 18.
Uit het Mittelhochdeutsches Wörterbuch. Mit Benutzung des Nachlasses von Georg Friedrich Benecke ausgearbeitet von Wilhelm Müller und Friedrich Zarncke. Nachdruck der Ausgabe Leipzig 1854-1866 mit einem Vorwort und einem zusammengefaßten Quellenverzeichnis von Eberhard Nellmann sowie einem alphabetischen Index von Erwin Koller, Werner Wegstein und Norbert Richard Wolf. 4 Bde. u. Indexbd. Stuttgart: S. Hirzel 1990
In het Rijnland is Kaak (eigenlijk Kak) ook gebruikelijk als plat woord voor een "Kraai".
Kak k?k, meist Pl. : scherzh. Krähe.
kaken : schreien, von der Krähe
maar ook, als Vissenkieuw en als Grote Haarknop op het hoofd.
Kake
1. Fischkieme(ndl. kaak f. Wange, Rachen, Kiefer).
2. übertr. Haarknoten auf dem Kopfe.
Verder komt het veel voor als "Kakelen" (veel praten)
Rheinisches Wörterbuch. Im Auftrag der Preußischen Akademie der Wissenschaften, der Gesellschaft für Rheinische Geschichtskunde und des Provinzialverbandes der Rheinprovinz auf Grund der von Johannes Franck
begonnenen, von allen Kreisen des Rheinischen Volkes unterstützten Sammlung bearbeitet und herausgegeben von Josef Müller, Heinrich Dittmaier, Rudolf Schützeichel und Mattias Zender. 9 Bände. Bonn/Berlin 1928-1971.
An Klaus Groth
O höör uns an, Klaus Groth!
Wi sünd in depe Noot.
Wi staht as an den Kaak.
Verloren is uns Spraak,
uns Moderspraak. Dat 's heel,
as stünnen wi ahn Seel.
O höör uns an, Klaus Groth,
üm unse depe Noot!
Dor kümmt he dal un seggt:
Ool Jung, dat weer je slecht.
Ool Jung, du sühst to swatt.
Dat Hart snackt jümmer Platt.
So lang de solte See noch geiht,
so lang de witten Wulken weiht,
so lang de Regen rünnerschuert,
so lang de Swulk ehr Nest noch muert,
so lang de Bööm in 'n Wind sik weegt,
ehr Kindeken de Moder heegt,
so lang de Buer noch seit un meiht,
uns Plattdüütsch nich vergeiht.
Mien Jung, du sühst to swatt.
In 'n Heben ok snackt s' Platt.
De leve Gott de röppt mi. Höör!
Ick lees Em jüst ut 'n Quickborn vör!
Hermann Claudius
[Kaak = Schandpfahl, Pranger]
Bron: www.fehrsgilde.de
Kaberg. De achttiende-eeuwse Leidse hoogleraar J. le Francq van Berkhey gebruikt in zijn geschriften heel veel woorden die typisch zijn voor Leiden en omgeving. U kent de hooiberg. Bij boerderijen zie je vaak vier lange palen in een vierkant in de grond staan. Daar bovenop staat een kap met een zoldering. Die kap kan omhoog worden gehesen. Op de grond staan meestal wat landbouwwerktuigen, wagens en gereedschap. En op de zoldering onder de kap ligt het hooi. Van Berkhey schrijft daarover: 'Indien zulk een barg tusschen de roeden nog een zoldering heeft, met een bergplaats of schuur eronder, dan bekomt dezelve de naam van kaag- of kaakbarg.'
We weten niet precies wat de oorsprong van het woord kaberg is. Het is wel duidelijk dat het de verbastering is van kaakberg, zoals Van Berkhey ook al aangeeft. Waarschijnlijk wordt de zoldering vergeleken met een schavot, dat, zoals u weet, ook wel de kaak wordt genoemd (onder andere nog voorkomend in de uitdrukking iemand aan de kaak stellen, ('iemands verkeerde handeling openlijk bespottelijk maken').
Bron: Leidsch Dagblad
Een hoge komaf betekende ook het bekleden van hoge functies. Als burggraven van Leiden bemoeiden de Van Wassenaers zich intensief met de ontwikkeling van de Sleutelstad. Jan II van Wassenaer was behalve burggraaf ook een gevreesd krijgsman. Tijdens één van de veldtochten waaraan hij deelnam, liep hij een verwonding aan zijn kaak op. Sindsdien wordt hij ‘Jan met de kaak’ genoemd. Jacob van Wassenaer Obdam was admiraal. Bij de zeeslag bij Lowestoft in 1665 vloog hij met zijn schip de lucht in, toen de kruitkamer door een kogel werd getroffen. Verscheidene Van Wassenaers waren lid van de Ridderschap die deel uitmaakte van het gewestelijk bestuur, zoals de Staten van Holland. Om hiervan lid te kunnen worden moest men een stamboom kunnen tonen, waaruit bleek dat men van adel was.
Bron: www.wassenaer.nl/hhm.htm
Haaker, Haker: Beroepsnaam voor een handelaar in het klein, een detaillist. Ofschoon in het ndd. taalgebied veelvoorkomend berust de term op het mnd. hoke, hoker 'detaillist'. Middeleeuwse voorbeelden zijn: botterhake, kesehake, speckhake. In Bremen was in 1446 een Hakenstrate. De klinkerverandering komen we ook tegen bij knaack-knoke 'bot'; kaack-koke 'kok'. Andere varianten: Haack, Haacke, Haak, Hake.
Bron: Staring College - Naamkunde
kaak - walviskaak, gerechtsplaats
Bron: Staring College - Naamkunde
Westernieland: Na de laatste bedijking van de Hunze-boezem, rond 1350 werd dit dorp gesticht en heette toen Mariaburen. De huidige naam kan worden herleid tot "westelijk gelegen nieuw land" en komt voor het eerst in 1447 voor. Het kerkje stamt uit de 13e eeuw. Nadat in 1717 het dorp was weggespoeld bij de Kerstvloed werd het meer oostwaarts herbouwd. De bewoners hielden zich vroeger bezig met de robbenvangst. Een stille getuige hiervan is het grafschrift van de in 1871 gestorvan robbenjager Tjark Visser. Tot 1795 stond ten noordwesten van het dorp een kaak. De naam van het gehucht Kaakhorn (kaak = schandpaal en horn = hoek) is hiervan afgeleid.
Bron: Klik hier
Nach dem alten Hamburger Stadtrecht von 1292 wurden der leichtfertigen Verläumderin ehrbarer Frauen und Jungfrauen beim Kaak (dem Richtplatz fürs Stäupen, Brandmarken und ähnliche Strafen), zwei Steine um den Hals gehängt, worauf sie damit belastet vom Frohn und seinen Knechten mit Hörnerblasen, ihr zur Schmach und Schande, durch die Straßen und zur Stadt hinausgeführt wurde.
Bron: www.sagen.at
Auf dem Eckpfeiler an der Spandauer Straße, dem "Kaak" oder Pranger zeigte sich ein noch seltsameres Geschöpf mit Vogelleib und menschlichem Gesicht, der "Kolk auf dem Kaak", Unter ihm steckten in der Mauer zwei Halseisen, um die Verbrecher anzuketten, die hier öffentlich ausgestellt werden sollten.
Bron: www.altberlin.net
Hierauf hat Professor Dr. Kämmerer den Gegenstand in einem Aufsatze über die "Stupe" beiläufig berührt und dabei Hach's Meinung zur Kritik gezogen. Kämmerer beweist allerdings, daß "stupa, Stupe" mit "Kaak", Pranger gleichbedeutend sei. Aber weder Kämmerer, noch Hach scheinen in allen Stücken Recht zu haben, indem dieser "Schupestoel" mit "Stupestoel" für gleichbedeutend hält, jener diese beiden verschiedenen Ausdrücke mit "Kaak" oder "Pranger" für gleichen Inhalts zu nehmen scheint. Abgesehen von der etymologisch gewiß verschiedenen Bedeutung von "schupestoel" und "stupa", ist die Verwechselung zwischen beiden sicher durch die oft ganz gleiche Schreibart des c und des t in den alten Handschriften gekommen.
Bron: Digitale Bibliothek Mecklenburg-Vorpommern
Betekenis van Stuut
Te beschouwen als pendant van de naam Brood: beroepsbijnaam voor een bakker. In dit geval op basis van het woord stoet of stuit/stuut (mnl. stute, stuyt), benaming voor diverse soorten brood (regionale diversiteit).
In onderstaande Groningse genealogieën wordt echter naar voren gebracht, dat Stuut een samentrekking van 'substituut' is: een beroepsnaam voor een substituut-wedman (gerechtsdienaar).
Naamsvermeldingen en literatuurreferenties:
Albert Stute, Keulen 1183; Leys Stuytmans, Hasselt 1421; Adam Stuyts, Antwerpen 1584. Debrabandere beschouwt de naam als beroepsbijnaam: mnl. stute, stuyt = schenkelvormig wittebrood, koekebrood; vgl. Westvlaams stute = 'boterham'. Hij refereert daarbij nog aan de naam Studebaker = 'stu(i)tenbakker' [WFB].
Nommo Hillens, geb. vermoedelijk Finsterwolde ca. 1525, eigenerfde enz. ovl. Finsterwolde tussen 1613-20. Eerst sedert zijn nakomeling Thomas Eltjes (ca. 1725-1773), landbouwer en substituut wedman te Finsterwolde, werd de naam Stuut gevoerd ['Wapenregister', in: Jb. CBG 47 (1993), p 260].
Familienaam uit beroepsaanduiding, te weten stuut - substituut = 'substituut-gerechtsdienaar'. In een familie met sedert ca. 1450 uitsluitend patroniemen vindt in de 18e eeuw naast Kantelberg de familienaam Stuut ingang. Ayle Eltekens (ca. 1470-na 1549), landbouwer te Finsterwolde, is een voorouder van Thomas Eltjes, ged. Beerta 1674, ovl. Groningen vermoedelijk tussen 1708 en 1727, soldaat; vader van Eltjo Kantelberg (Groningen ca. 1700-Oostwold voor 1727), landbouwer; vader van Thomas Eltjes Stuut, geb. vermoedelijk Oostwold ca. 1725, ovl. 1773, landbouwer en substituuts-wedman. De familienaam Stuut blijft hierna in gebruik.
"Ook van andere substituut gerechtsdienaren der Oldambster rechtstoelen is bekend dat zij zich Stuut noemden" [H. Stuut, 'Stuut. Een tak van een oud Oldambster geslacht', in: Gruoninga 39 (1994), p 112-215].
[G.Th. Tolhuijsen, Genealogieën van Stuut, Stuit en Stoit uit Groningen, Hilversum 1996].
Hilligien Willems (Stuut) (Veendam 1752-Ommelanderwijk 1827), dochter van Willem Hindriks, substituut te Wildervank en Veendam, huw. Veendam 1732 [G. Luth, 'Kwartierstaat van Jan Hendrik Neuteboom', in: Ts. Westerwolde 22 (2001), nr 3, p 78-79].