Familie van den Ende (met dank aan Wil van den Ende uit 's-Gravenzande)

De naam VAN DEN ENDE (VAN DER ENDE, VAN DEN EYNDEN) kwam in de zeventiende eeuw reeds voor in Holland en daarbuiten, bij personen behorend tot uiteenlopende maatschappelijke kringen.

Zo vindt men b.v. in de trouwboeken van 's-Gravenhage als bruidegom anno 1642 JAN VAN DEN ENDE, jongeman van Brugge, anno 1651 JACOB JOPPEN VAN DER ENDE, mr. chirurgijn te Rijnsburg en als bruid anno 1646 CORNELIA VAN DER ENDE, jongedochter van Middelburg. De notariele archieven van 's-Gravenhage bevatten de naam van Jonkheer JACOB VAN DEN EYNDEN, heer van Haemstede anno 1612 en in die van 1662 komen voor de Jonkers WILLEM en JACOB VAN DEN EYNDEN.

Haamstede ziet op Zeeland; ook op het eiland Flakkee werd toen de naam VAN DEN EYNDEN aangetroffen, evenals in het oostelijke deel van de Bommelerwaard. In Delfland vindt men dan de naam VAN DEN EYNDEN in de rechterlijke archieven van Nootdorp.

De betreffende personen heten in de registers van de gereformeerde (Ned. Hervormde) kerk en later ook in de rechterlijke archieven VAN DEN ENDE.

ARIENTGEN FOPPEN VAN DEN ENDE, gedoopt te Nootdorp 7 augustus 1605 als dochter van VOP GORIS, overleed daar als weduwe van CORNELIS VAN BAERSENBURGH, in het leven secretaris van Noot-dorp, vóór 12 september 1678. Haar man, de secretaris, schreef de naam: VAN DEN EYNDEN. Veelal werd de familienaam echter weggelaten en werd volstaan met het noemen van de vadersnaam, op deze wijze: CORNELIS HUYGENSZ.

Het gebruik van een patronymicum bemoeilijkt het onderzoek niet weinig.

SYMON HUYGENSZ. VAN DEN EYNDEN (ook SIMON HUYGENSZ. VAN DEN ENDE) was kleermaker en scheepen (gezworene) in den banne van Noordorp. Verder was hij geïnteresseerd bij de vervening.

Evenzo zijn broeder CORNELIS HUYGENSZ., gedoopt te Nootdorp 10 april 1594 als zoon van HUYGENS GORIS (mogelijk een broer van VOP GORIS, bovengenoemd) en MAERTGEN CORNELIS. Anno 1657 had deze CORNELIS HUYGENSZ. VAN DEN ENDE zich te verantwoorden wegens het niet betalen van een partij turf door hem te Delft geleverd en van een zekere DIERT JANSZ. In Hogeveen onder Nootdorp gekocht.

De op deze website vermelde genealogie van de Familie van den Ende vangt aan met JOOST CORNELISZ. VAN DE(N-R) ENDE, die als JOOST DE MOLENAAR (bedoeld is watermolenaar) anno 1679 te Maasland in de kerk aldaar werd begraven.

Zijn oudste zoon werd in Maasland gedoopt 26 februari 1670. Diens doopakte is zeer eenvoudig, als volgt: (1670) CORNELIS van JOOST CORN. den 26 febr.

Dat wij hier met generatie II van de bewezen genealogie te maken hebben volgt uit de akte van uitkoop gepasseerd voor schout en gerechte van Maasland op 16 oktober 1680 door de moeder MAERTGE PIETERS BERGHMAN, weduwe van JOOST CORNELISZ. VAN DEN ENDE. Haar zoon CORNELIS is dan "out tiendalff worden-de voor meij 1681 elff jaren.

Blijkens de akte van voogdijstelling, gepasserd voor schout, schepenen en weesmannen van Maasland op 10 april 1680 waren zijn broers DIRCK en IJSBRANDT CORNELISZ. VAN DEN ENDE. Hun zuster was PLEUNTJE CORNELIS VAN DEN ENDE. Dit volgt uit het testament, dat PLEUNTJE met haar eerste man CORNELIS MAAR-TENSZ. VAN 't WOUT maakte voor schepenen van Maasland op 27 augustus 1681 en waarin DIRCK CORNELISZ. VAN DEN ENDE haar comparants broeder genoemd wordt. Na het overlijden van CORNE-LIS MAARTENSZ. VAN 't WOUD hertrouwde PLEUNTJE op 26 april 1682 met ARY JACOBSZ. COPPERT. Zij woonden toen beiden in de Duifpolder onder Maasland. Waar IJSBRANT gevestigd was is niet te voorschijn gekomen.

Hij was gehuwd met BEELTJE JACOBS. Dit blijkt uit het doopboek van de Hervormde gemeente van Berkel uit een inschrijving van 13 april 1681. Op genoemde datum werd zijn neef ABRAHAM gedoopt, zoon van zijn broer DIRCK, en waren hij en zijn huis-vrouw de getuigen. DIRCK CORNELISZ. VAN DEN ENDE was als jongeman wonende tot Berkel aldaar op 20 maart 1672 in het huwelijk getreden met MARRITIE (MARITJE, MARIA, MAARTJE) CLAESE TAS, jongedochter van Bergschenhoek.

De doop van DIRCK noch die van IJSBRANT, JOOST of PLEUNTJE is in de kerkboeken van Berkel te vinden, zodat aangenomen kan worden, dat DIRCK zich voor zijn huwelijk, komende van elders, daar gevestigd heeft. Deze vestiging kan echter reeds op zeer jeugdige leeftijd hebben plaats gehad.

In de plaats van zijn inwoning was DIRCK een vooraanstaand ingezetene. Hij woonde in het Noordeinde en hield zich met de vervening bezig. Hij werd schepen en achteman van Berkel en Rodenrijs. Anno 1692 stond hij op de nominatie als welgeboren man van Delfland. Hij, of beter zijn zoon JAN, had enige betrekkingen met Nootdorp. In 1707 trouwde deze met een ingeborene van Hogeveen onder Nootdorp en in 1714 hertrouwde JAN te Nootdorp met PLEUNTJE DINGEMANS SCHENK. Al bewijzen deze betrekkingen met Nootdorp niets, toch blijven zij de aandacht op eisen, wellicht ten onrechte. Te Nootdorp werd op 24 juni 1649 een IEBRANDT gedoopt als zoon van CORNELIS HUGEN, die mogelijk identiek is aan CORNELIS HUYGENSZ. hiervoor genoemd, de neef van VOP GORIS en MAERTGEN CORNELIS. De dopen van DIRCK, JOOST en PLEUNTJE zijn echter in de boeken van Nootdorp niet aangetroffen. Evenmin is er een akte tevoorschijn geko-men, waarin de kinderen van CORNELIS HUYGENSZ. VAN DEN ENDE met namen vermeld staan. Dit valt te betreuren omdat wij hier in de mist blijven en slechts kunnen constateren, dat een dochter van CORNELIS HUYGENSZ. VAN DEN ENDE, ELISABETH, voor schepenen van Berkel trouwde op 9 oktober 1667 met JAN LEEN-DERTSZ. DROGE. Dat de bruid een zuster van DIRCK zou zijn geweest blijkt nergens uit. Wel kan men uit deze huwelijks-sluiting voor schepenen afleiden, dat één der, of beide, partijen niet tot de gereformeerde kerk behoorde.

Gemengde huwelijken met bewilliging der ouders zijn dan in dit gebied vrij regelmatig voorvallende gebeurtenissen en bewijzen, dat de reformatie hier niet diep heeft aangeslagen. De Vlaamse naamsvormen en het gebruik van het Vlaamse pond als rekeneenheid bij de ruil wijzen wel op een herkomst uit het Zuiden, doch deze hoeft niet samen te vallen met de val van Antwerpen (1585) en de daaraan direct voorafgaande gebeurtenissen.

Dat DIRCK CORNELISZ. VAN DEN ENDE als welgeboren man op de nominatie werd gebracht - in de jaren 1744 en 1745 deed als welgeboren man dienst ABRAHAM VAN DEN ENDE onder Berkel en in 1790, 1791, 1793 en 1794 DINGEMAN VAN DEN ENDE onder Maasland - houdt in, dat hij met zijn familie als schildboortig bekend stond. Dit betekent, dat er een wapen moet zijn geweest, dat zijn voorgeslacht als bewijs van adel voerde.

Immers de mening dat edel bloed en welgeboren synoniemen zijn, kan ik onderschrijven. Daarbij was eens een familiemerk - later wapen - het teken waarmede men zijn afkomst aantoonde. Was men welgeboren, dan bleef men dat, ongeacht zijn levensstijl. Dit is een opvatting, die ik gaarne wil verdedigen. Nu mag men bij DIRCK bij alle aanzien, die hij als schepen genoot, zeker geen riddermatige levenswijze, in de zin van landgoedbewoner, veronderstellen. Hij was vervener, evenals het grootste deel van de bevolking in de veendorpen. Het is niet mogelijk bij deze mensen een scherp onderscheid te maken tussen zelfstandige ondernemers en lieden, die uitsluitend als arbeider om loon werkte. Het is geen zeldzaamheid, dat een veender nu eens opduikt als verkoper van een belangrijke hoeveelheid turf en dan weer als gerechtigde op een nog niet betaalde loonsom. De materiële welvaart van de zelfstandige ondernemer in het veenbedrijf wordt vrijwel eensluidend als zeer pover beschreven. Het slagturven was slechts ternauwernood voldoende om in het onderhoud te voorzien. Vrouwen- en kinderarbeid, ook van zeer kleine kinderen, was geen zeldzaamheid. Toch blijft het echter moeilijk in concreto de armoede van de dorpelingen te schetsen, zegt een hierna te noemen deskundige, "Wij woonen(is 't niet vreemt?) plat in het water schier. En niemant set de mont aan enckel water hier", aldus een zeventien-eeuws verzenmaker in een lied waarin hij de welvaart van land en luiden roemt.

De voornaamste plaatsen in Delfland, waar de bevolking zich met het turfsteken een onderhoud verschafte, waren Nootdorp, Nieuweveen, Hogeveen, Tedingerbroek, Berkel en Pijnacker.

Nootdorp, Nieuweveen en Hogeveen waren als kolonies in het veen opgekomen. Daar en in al de andere genoemde plaatsen en in Zoetermeer onder Rijnland trof men VAN DE(N-R) ENDE's aan, die met het verrichten van zware arbeid in het veen aan de kost kwamen, of er echter onder hen en door hen veel familie-wapens werden ten toon gespreid valt te betwijfelen. Dit zal men hebben overgelaten voor hen, die onder gunstiger omstandigheden leefden, dan wel ambtshalve van een zegel bedienden.

Van laatstbedoelde categorie zijn de wapens veelal bewaard gebleven. In het Armorial Général van Rietstap vindt men dan ook zowel op de naam VAN DEN ENDE als op VAN DEN EYNDE(N) enige wapens vermeld. Op VAN DEN EYNDE geeft Rietstap voor Holland, Vlaanderen en Brussel drie verschillende wapens.

Gezien hun samengesteld karakter, daarbij rekening houdend met de eenvoudige staat van de meeste veenders onder wie ik de naaste verwanten van JOOST CORNELISZ. VAN DE(N-R) ENDE, de stamvader van de hier verder nog te behandelen VAN DEN ENDE's meen te moeten zoeken, wil ik aan deze wapens echter, als hier niet ter zake dienend, zonder meer voorbij gaan. Anders wordt het met een wapen VAN DEN ENDE (Holland):"Dárgent à trois de sinople Cimier: un chien arrêté au natural" en één VAN DEN ENDE (Breda): Les armes de VAN DEN EYNDEN, à Delft. VAN DEN EYNDEN (Delft): "D'azur à trois canettes d'argents, bequé de gueules. Cimier une canette de l'écu".

Wanneer de zaak na nader onderzocht wordt, dan blijkt het eerste beschreven wapen: "In zilver drie groene klaverbladen, helmteken een staande hond van natuurlijke kleur" gevoerd te zijn door een aanzienlijke Amsterdamse familie, die te Hillegom een grafstede bezat tot in de achttiende eeuw en het andere wapen: "In blauw drie zilveren eenden met rode snavel, helmteken een dito eend" v.a. gevoerd door Mr. JACOB VAN DEN EYNDEN, van 1534-1536 raad van Delft maar ook door een familie EINDIUS VAN HAAMSTEDE.

In aanmerking nemende het feit, dat, naar boven is gebleken, VAN DEN(R) ENDE identiek kan zijn aan VAN DEN EYNDEN, heeft men dus twee wapens, waarvan dat met de klaverbladen nu verder even met rust gelaten wordt en het andere eerst aan een nadere beschouwing wordt onderworpen.

In de 13e eeuw groeiden verschillende nederzettingen in Holland tot steden uit. Hoewel deze plaatsen aanvankelijk allerminst belangrijke bevolkingscentra waren, en de stedelijke nijverheid en de stedelijke handel de omtrek nog slechts flauw in de stedelijke sfeer betrokken vormden zij toch een belangrijk element in de ontginning van het platteland van Delfland en Schieland. Aanvankelijk gebruikten de stadsbewoners de turf van de geestgronden, de zandturf, spoedig trokken de veengravers echter in het wilde land, waarvan tot nog toe alleen de periferie bekend was. Van de hoger gelegen kleistroken en geestgronden drong men de wildernis binnen. De wijze waarop de ontginning plaats vond kunnen wij ons voorstellen als die van kolonisten van een woest en moeilijk toegankelijk gebied. Een gebied begroeid over grote uitgestrektheden met tuigt, gras, riet en kreupelhout, bossen en elzen en waterwilgen, een waterrijk landschap met tal van plassen en meren.

De wildernissen, die aan de graaf behoorden, werden door hem aan ondernemers verkocht. De meest gebruikelijke vorm schijnt geweest te zijn de afstand van een stuk van het "moer" aan adellijke ondernemers, die tevens het gericht en tienden verwierven.

Onder de poorters waren het vooral brouwers, die sterk bij de vervening geïnteresseerd waren. Het Delftse brouwerij-bedrijf is daarvan een duidelijk voorbeeld. De overvloed van turf leverde goedkope brandstof. Aan de belangrijkste vestigingsvoorwaarde voor de Hollandse brouwerij-industrie was hiermede voldaan.

Het is niet onwaarschijnlijk, dat Mr. JACOB VAN DEN EYNDEN met de reedsgenoemde Jonkheer JACOB VAN DEN EYNDEN, heer van Haamstede van één zelfde stam was. Dat de adel zich in de steden vestigde, was een bekend verschijnsel. De maatschappelijke positie van Mr. JACOB verzet zich niet tegen dexe veronderstelling en de overeenkomst van zijn wapen met dat van EINDIUS VAN HAAMSTEDE is frappant.

De gedachte, dat de hierboven aangeduide hard ploeterende veenders tot dezelfde familie, clan, zouden behoord hebben, mag deze of gene, zonder meer, wat fantastisch toeschijnen, op grond van het welgeborenzijn, en in aanmerking nemend een uitspraak van de rechthistoricus Prof. P.W.A. Immink, die welgeborenschap ziet samenhangen met riddermatigheid en dus ook met feodaliteit, meen ik met deze mogelijkheid ernstig rekening te moeten houden.

Aanvaardt men deze mogelijkheid, dan begrijpt men ook waarom het wapen met de klaverbladen werd gepasseerd. Immers het klaverblad duidt op eigen-geërfden en is typisch voor een niet feodraal gebied als Friesland.

Het wapen met de eenden wint aldus aan betekenis. Het is eenvoudig, sprekend en decoratief.

Niets kan nakomelingen van JOOST CORNELISZ. VAN DE(N-R) ENDE beletten sympathie voor dit symbool te tonen. Passend is, wanneer zij dit doen, dit te doen met verandering van helmteken. De wetenschappelijke reserve wordt dan zeker in acht genomen. Gezien het beroep van de oudst bewezen stamvader- watermolenaar- zou als helmteken zijn te kiezen: een zwart molenrad tussen zilveren vlucht. Bovendien zou men voor de snavels der eenden goud kunnen nemen. De beschrijving van dit nieuwe wapen wordt dan, het Armorial Général volgend: "D'azur à trois canettes d'argent, becqué d'or Cimier: une roue de moulin se sable, entre un vol l'antique d'argent".

Zo wordt een belangrijke stuk familiehistorie vastgehouden.

Het turfdelven werd reeds bedreven voordat de venen drooggemalen werden. De onaangetaste venen moesten eerst op een primitieve wijze ontwaterd worden voor ze althans begaanbaar te maken. De "rouwe venen", de venen, die nog in maagdelijke toestand verkeerden, werden met sloten doorsneden en een zgn. "afghetapt" veen ontstond, waarin met turfgraven kon worden begonnen.

Op de duur was de grond zo zeer weggedolven, dat verder graven in het water moest geschieden. Omstreeks 1530 kwam baggere, modderen of wel slagturven de plaats innemen van het delven op de oude wijze.

De mens heerste steeds meer over de natuur. Het technisch kunnen speelde hierbij een voorname rol. Het bepolderen van de landen begon in de 15e eeuw een grote omvang te nemen. Toen werden de eerste molens voor het wegmalen van het water gesteld. Vervolgens werden polders met molens meer en meer algemeen en op de 16e eeuwse kaarten ziet men overal molens aangegeven.

De samenhang tussen molen en veenbedrijf wordt dan erg begrijpelijk. De turf was een belangrijk exportartikel. In 1581 werd de uitvoer ter Statenvergadering op 4 millioen ton begroot. (1 turfton = 227 l. en een harington 121 l.) De turf werd voornamelijk naar de Brabantse en Vlaamse steden geëxporteerd. Ook naar Zeeland werd veel turf verzonden. Vele schippers waren uit de zuidelijke gewesten afkomstig. Het Goudse importregister van 1568/69 bevat bijvoorbeeld namen van schippers uit Bergen op Zoom, Antwerpen, Breda, Leur, Lier, Mechelen, Brussel en Rosendaal voor zoveel het Brabant, en uit Moerbeke, Gent, Biervliet, Brugge en Sluis voor zoveel het Vlaanderen betreft.

De Zeeuwse schippers kwamen vooral uit Middelburg, Arnemuiden, Goes, Vlissingen, Ierseke, St. Maartensdijk, Zoutelande en Bommenede.

Het is opvallend, dat in de Rotterdamse registers meer Zeeuwse dan Brabantse of Vlaamse schippers zijn opgetekend. Dr. W.J. Diepeveen, aan wiens werk de gegevens betreffende het veenbedrijf zijn ontleed, leidt hieruit af , dat de turf naar Zeeland vooral over Rotterdam werd uitgevoerd.

Bij deze stand van zaken is het vooralsnog wel onbegonnen werk naar de geboorteplaats en -datum van onze JOOST CORNELISZ. VAN DEN ENDE te blijven zoeken. Gezien de nauwe relaties, die de abdij van Middelburg met 's-Gravenzande heeft onderhouden, is het geheel niet vreemd, dat zijn nageslacht juist daar vaste wortel heeft geschoten. Ter plaats genieten sommige VAN DEN(R) ENDE's een reputatie wegens hun zicht op grondwerk, terwijl er één geweest is, die toenaam "de uitvinder" met ere droeg.

Tot dit geslacht behoort ook "de eenvoudige maar beschaafde Hollandse scheepsbouwmeester" JAN VAN DER ENDE, geboren te Naaldwijk 4 september 1854, ontwerper van een nieuw scheepstype, de zgn. "loggerbom" zie verder voor hem en voor diens zoon: E.W. Petrejus, de bomschuit, een verdwenen scheepstype, uitgave van het Museum "Prins Hendrik", Rotterdam 1954.

Uit de archieven van 's-Gravenzande treden enige VAN DEN(R) ENDE's naar voren als waren zij vrijbuiters.

In de eerste generatie van de genealogie vindt men namen, die verwantschap met het oude geuzenvolk doen veronderstellen. Dit is voor mij aanleiding aan dit relaas toe te voegen hetgeen ik vond betreffende ene JOOST VAN DEN ENDE, watergeus. Daarbij voeg ik de wens dat de trouwakte van IJSBRANT VAN DEN(R) ENDE en BEELTJE JACOBS gevonden mag worden. Misschien krijgen wij zo de sleutel in handen die het verder opvoeren van de hier nu volgende genealogie mogelijk maakt.

Bron: (c) 2004 Wil van den Ende, 's-Gravenzande